Het goddelijke van een warm woord,
als geur van een honingbloem,
de kleur van gespreid bed, de hand van een strelende vrouw
het gebaar van een trouwe vriend, als uitnodiging tot leven, liefde
smeulend vuurtje van transcendentie, een zorgenvrije vlucht over een lekkend dak, opgebroken stoep, onverschillige menigte, koninklijk huwelijk
Ik stap voorzichtig het land der troost binnen, een takje breekt fris onder het gewicht van mijn verdriet
over de vrouw die verdween, het kind dat ooit stierf, verregende ambities, verkreukelde verlangens als lakens op een net verlaten bed
en wat rest, wat resideert in ontluikende knoppen – steeds weer opnieuw – zijn de tonen van het afscheidsfeest, naderend tot in oneindige lengte der dagen
de blues, mijne dames en heren