Blote voeten schuiven zich schommelend in het natte zand
Er bestaat nu alleen de vorm van de porie
In de welvingen van cement
Zo leert de vis de aanwezigheid
Van de wandelaar
Zo vergist de kwal zich in het heilzaam pad
Van het water naar het wad
Ik tredsleep mijn voeten mank
Omdat de gedachte aan water me zwartgallig maakt
Onstuimigheid valt de denker ten deel
Vanaf het aanbreken der eenzaamheid
En fel de wind zand goochelend langs de branding
Nu en dan onderbroken door onverstoorbare dingen die niets doen
Er slechts zijn als monument in een tijd
Zoals daar zijn: een gele laars een afgebroken staalkabel een gescheurd deksel
Het staketsel van een vlieger waarvan de naam
De kwade geest op sleeptouw nam, eens
Ik kijk naar het zeil
De mond van de draak hangt er verscheurd en belabberd bij
Geen wonder, denk ik
Dat de naam van de pasgeborenen wonderschoon geschonden wordt
De impotentie van het dwaallicht toont zich onbarmhartig
Ik haal voorzichtig het lijk uit het zand vandaan
En leg het teder neer
Zo mooi, niet?
Die kleuren van een oud bestaan, die geknakte botten, de levenslijn gebroken
Onder het gewicht van de noordelijke winden verdween misschien wel elk gerucht over de geboorte, over de naam
Het lot der boze goden is droevig in de heerschappij van high tech ratio
Er is geen plaats meer voor hen, mijmer ik
De zon gaat onder, verveeld want begeleid door een grote grijze wolk
De schaduwen groeien langs het golvende zand, de duinrand omhoog
Wie zegent zijn kind nog, wie behoedt het voor de kwade stroom
Anders dan met een vrome wens?